In de cilinders moeten brandstof en lucht in de juiste verhouding samengebracht worden. De zuigers persen het mengsel samen tot een druk van 15 bar, waarna de ontbranding volgt en de energie vrijkomt (De druk kan oplopen tot 50 bar voor een dieselmotor onder hoge belasting).
Voor een verbrandingsmotor is de verhouding luchtbrandstof
in normale omstandigheden 14,7 : 1. Dit wil
zeggen dat 1 kg brandstof 14,7 kg lucht nodig heeft
voor een volledige verbranding, of nog: 513 moleculen
zuurstof zijn nodig om 50 moleculen brandstof te verbranden.
Pas dan is er geen overmaat van zuurstof of
brandstof (De brandstof-luchtverhouding (de zogenaamde luchtfactor), gemeten door de lambdasonde in de uitlaat, is in dit geval dus gelijk aan 1).
De energie die het verbrandingsproces voortbrengt,
is enigszins functie van de hoeveelheid brandstof
die in de verbrandingsruimte gebracht kan worden.
Wil men meer energie uit de brandstof halen en
voldoen aan de emissienormen, dan zijn er een aantal
mogelijkheden. De verbeteringen waar de autoindustrie
momenteel aan werkt, zijn in 2 groepen
te verdelen:
1. betere vulling van de verbrandingsruimte door overdrukvulling
(i.p.v. atmosferische vulling);
2. betere controle van het verbrandingsproces door
juiste materiaalkeuze en motormanagement.
Hierna worden de verschillende technologieën en de
recente ontwikkelingen nader toegelicht.
Onderzoek en ontwikkeling
in de auto-industrie
Wereldwijd besteedt de auto-industrie jaarlijks
100 miljard euro aan R&D. Dat komt neer op
bijna 2.000 euro per auto, en stemt overeen met
4% van de omzet. Verwacht wordt dat tot 2015
nog eens 800 miljard euro zal besteed worden.
Opvallend is dat ruim 20% van de R&D gaat
naar investeringen om te voldoen aan allerhande
regelgeving rond milieu en veiligheid.
A. DE VULLING VAN DE CILINDERS
1) De turbo
De turbo, geïntroduceerd in de luchtvaart rond 1910,
deed in 1962 zijn intrede in voertuigen bestemd voor de
Amerikaanse markt. Pas in 1973, tijdens de eerste oliecrisis,
vond de turbo zijn weg naar de Europese markt.
De turbo zorgt voor een betere vulling van de cilinders:
het is een pomp die de lucht net vóór de cilinder
een overdruk geeft van 0,5 tot 1,5 bar naargelang
het gevraagde vermogen. De pomp wordt aangedreven
met restenergie die uit de stroom uitlaatgassen
gehaald wordt. In plaats van gevuld te worden door
onderdruk, raken de cilinders veel beter gevuld door
er geperste lucht in te jagen. Dit zorgt voor een veel
dichter lucht-brandstofmengsel, en komt het rendement
en de kracht van de motor ten goede.
De turbo worstelt echter met het probleem van de
kip en het ei: als men wil versnellen en gas geeft,
draait de turbo nog niet op volle toeren. Pas wanneer
de motor zelf enigszins op toeren gekomen is,
worden er voldoende uitlaatgassen geproduceerd om
de turbo aan te drijven. Men spreekt daarom over
de turbovertraging of het turbogat. Eens de turbo
op snelheid is(Daartoe moet een turbo 120.000 omwentelingen per minuut maken), zuigt hij voldoende lucht aan voor
optimale verbranding en extra vermogen.
De turbo is geen wondermiddel: het vermogen van de
motor wordt bepaald door heel wat parameters. Toch
kan men stellen dat een goede vulling van de verbrandingsruimte
bijdraagt tot een groter vermogen
per eenheid van gewicht en dat de verbranding van
de brandstof vollediger verloopt, met minder vebruik
en vervuilende emissies tot gevolg.
2) De variabele turbo
De variabele turbo is een oplossing voor het beruchte
turbogat. Beweegbare kleppen in het turbinehuis maken
de turbo schijnbaar kleiner, wat een snelle drukopbouw
in de hand werkt bij lage toerentallen. Eens de turbo
op toeren is, gaan de kleppen open en vergroot het
turbinehuis samen met de verplaatste luchthoeveelheid.
Het turbogat-probleem was hiermee enigszins van de
baan, maar het volledige turbopotentieel was (is) nog
niet bereikt.

3) De dubbele turbo
Onder invloed van de opeenvolgende Euro-normen
en de vraag naar lager brandstofverbruik, wordt
het idee van de variabele turbo verder verfijnd. De
nieuwste motoren worden daarom uitgerust met
twee turbo’s die elkaar aanvullen. Een kleine turbo
komt bij lage toerentallen in actie en wordt bijgestaan
door zijn grote broer bij hoog toerental. Voor
dieselmotoren levert deze dubbele turbo, ook registerdrukvulling
genoemd, een brandstofbesparing op
van 20% bij gelijk vermogen.
Hiernaast vermelde voordelen worden opnieuw
bevestigd: een goede verhouding vermogen-gewicht,
minder brandstofverbruik en een hoog en vlak koppelverloop
(zie grafiek). Het koppel is, meer nog dan
pk’s, de bepalende factor voor aangenaam, soepel en
veilig rijden.
Vaak wordt ten onrechte aangenomen dat een motor ‘krachtig’ is wanneer hij over veel pk’s beschikt. Het
misverstand ontstaat door het woord paardenkracht
(pk): het aantal pk’s is een maat voor vermogen
(kracht maal snelheid of energie per tijdseenheid),
maar drukt niet rechtstreeks uit hoeveel kracht de
motor kan leveren. Nochtans is het voor een soepele
rijstijl belangrijk te beschikken over voldoende kracht
bij laag toerental en over een breed toerentalbereik.
Het is immers de kracht of het koppel van de motor
die ons zal helpen om bv. vroeg op te schakelen of
tijdens een inhaalmanoeuvre te versnellen voor een
plots opkomende tegenligger.
4) De compressor
De compressor is een variant van de turbo. Het is
eveneens een pomp die lucht aanzuigt en in de cilinder
samenperst tot een overdruk van 0,5 à 1,5 bar.
De compressor wordt echter niet aangedreven door
de stroom uitlaatgassen, maar in beweging gebracht
door de motor zelf. De afgeleverde hoeveelheid lucht
verhoudt zich tot het motortoerental en dus tot de
gevraagde hoeveelheid lucht. Doorgaans is de compressor
niet erg groot en wordt hij bijgestaan door
een grote turbo voor het grote werk bij midden- en
hogere toerentallen. Verder verschilt de compressor
van de turbo door zijn relatief laag toerental
van 40.000 omwentelingen per minuut en zijn lage
werktemperatuur van 65°C. Net als de turbo zorgt de
compressor voor 20 à 30% verbruiksreductie.
B. DE VERBRANDING
We kijken nu naar de verbranding in de cilinder
van de motor. Via optimalisatie van het verbrandingsproces
kan het vermogen dat uit eenzelfde
hoeveelheid brandstof te halen is, verhoogd worden.
Daarnaast staat een goede verbranding ook borg
voor zuivere uitlaatgassen en een laag roetgehalte
in de uitlaatgassen van dieselmotoren.
1) De hoge druk (directe) injectie
10 jaar geleden werden brandstofsystemen met
een zogenoemde common-rail geïntroduceerd voor
motoren met directe brandstofinjectie. Eén gemeenschappelijke
buis (common rail) voorziet de injectoren
van brandstof onder hoge druk, zowat 1.800 bar.
De brandstof wordt in de cilinder gespoten, of beter,
verneveld, waardoor het contact tussen zuurstof
en brandstof aanzienlijk verbetert. Dit brengt ons
opnieuw een stap dichter bij een zuivere verbranding
en het behalen van de Euro-5 en Euro-6 normen:
de uitstoot van deeltjes (PM) en stikstofoxiden
(NOx) neemt immers af met 15 tot 20%. Bovendien
blijft het motorgeluid beperkt, omdat de vernevelde
brandstof een gelijkmatige en trillingsarme verbranding
in de hand werkt.
2) De Piëzo-injectoren
De belangrijkste recente innovatie op het gebied van de
brandstofinjectie is zonder meer de piëzo-lijnverstuiver (Een Piëzo-element is een gelaagd ceramisch materiaal dat uitzet onder invloed van elekrische stroom)
in combinatie met de hogedrukinjectie. De piëzolijnverstuiver
integreert en vervangt diverse onderdelen
van de klassieke directe injectie (vb. bekrachtigingsspoel
en tal van verbindingselementen tussen
spoel en verstuivernaald, zie figuur p. 13).
Nu de verstuivernaald rechtstreeks verbonden is met
het piëzo-element, opent dit type injector in minder
dan 0,1 milliseconde en is het daarmee dubbel zo
snel als zijn tegenhanger met magneetventiel (zie
figuur p. 13). Het resultaat is een flexibele regeling
van de verbranding met de mogelijkheid om 5 injecties
per cyclus door te voeren.
3) Elektronische (variabele) kleppensturing
Een elektronische kleppensturing vervangt de nokkenas
en zijn mechanische verbinding met de
krukas van de motor. Door het wegvallen van
die vaste verbinding kunnen in- en uitlaatkleppen
onafhankelijk van elkaar aangestuurd worden
in functie van parameters als brandstofkwaliteit,
motorbelasting en atmosferische omstandigheden.
Motoren met dergelijk systeem hebben een gunstiger
koppelverloop, betere emissiewaarden en een
lager verbruik.
Enkele voorbeelden:
Bij laag toerental opent de inlaatklep slechts kort en
gedeeltelijk, waardoor de verneveling van de brandstof
in de hand gewerkt wordt en de uitstoot van koolwaterstoffen
(HC) afneemt. Bij hoge toerentallen echter gaat
de inlaatklep volledig open voor maximale vulling met
minimale stromingsverliezen. Ook bij een koude motor
bewijst de elektronische kleppensturing zijn nut: de
kleppen worden zodanig aangestuurd dat de motor snel
opwarmt en de katalysator sneller zijn werk doet.
Wat brengt de toekomst?
Voor kleine en middelgrote wagens gaan ontwikkelingen
voor de komende jaren in de richting van
een compacte en lichtgewicht verbrandingsmotor.
Zo zou de doorsnee verbrandingsmotor drie cilinders
hebben met een totale inhoud van 900 à 1000cc,
twee turbo’s, meervoudige brandstofinjectie en een
elektronische kleppensturing. Toch zou hiermee een
vermogen kunnen ontwikkeld worden van iets meer
dan 100pk, met voldoende koppel in diverse rijomstandigheden
en een verbruiksdaling van 20% ten
opzichte van de huidige generatie motoren.
Op middellange termijn zou het verbrandingsproces
zo ver onder controle zijn, dat de eigenschappen van
een zuinige diesel- en een schone benzinemotor verenigd
worden in één enkele motor. Ter herinnering
nog even het verschil tussen een diesel en benzine:
De dieselmotor comprimeert de lucht in de cilinderruimte.
Bij maximale druk wordt de brandstof geïnjecteerd
waarbij, onder invloed van druk en temperatuur,
de ontbranding onmiddellijk aanvangt.
De motor levert een grote kracht (koppel) en een goed
brandstofrendement, maar ook, door de korte mengtijd,
een onvolledige verbranding met stikstofoxiden (NOx) en
roet (PM) als restproducten.
De benzinemotor zuigt brandstof in de cilinderruimte tijdens
de neergaande slag van de zuiger; éénmaal de zuiger
terug in het hoogste punt is, wordt het lucht-brandstofmengsel
door de bougie tot ontploffing gebracht. In
tegenstelling tot de dieselmotor, is er hier veel tijd om het
lucht-brandstofmengsel homogeen te maken. Dat zorgt
voor een goede verbranding zonder roetuitstoot, maar
levert wel minder kracht.
Idealiter zou een directe injectie met zelfontbranding
moeten kunnen optreden met een homogeen
lucht-brandstofmengsel (zie figuur). Het onderzoek
hierrond is gekend onder diverse benamingen, naargelang
de autoconstructeur: HCCI (Homogeneous Charge
Compression Ignition), CAI Controlled Auto Ignition),
ARC (Activated Radical Combustion), CCS (Combined
Combustion System).

De derde figuur toont een direct ingespoten motor met
gelijktijdige zelfontbranding op verschillende plaatsen in
de cilinder. Ondanks de directe inspuiting is het mengsel
toch homogeen (lamda=1), omdat de inspuiting al
start vóór het bereiken van de hoogste druk. De controle
van de verbranding is evenwel niet eenvoudig: de regelende
werking van de ontsteking bij de benzinemotor
en van de injectie bij hoogste druk van de dieselmotor
valt immers weg. De oplossing zou er in bestaan dat
de recirculatie van uitlaatgassen, ook wel EGR genoemd
(Exhaust Gas Recirculation, zie p. 16), beide regelprocessen
kan overnemen, daarin bijgestaan door een variabele
kleppensturing.
Daarnaast is er voor dit motortype nog een andere
aanpassing nodig. De huidige dieselbrandstof
is lang niet nauwkeurig genoeg gespecificeerd om
het verbrandingsproces met de juiste vertraging van
start te laten gaan. Daarom wordt momenteel een
synthetische brandstof gebruikt die slechts 15 verschillende
moleculen bevat in plaats van de gebruikelijke
500 moleculen in normale diesel.
Rond het verbrandingsproces, het motormanagement
en de brandstofsamenstelling is er dus nog heel wat
onderzoek en ontwikkeling nodig.