Aangezien het reductiepotentieel van motortechnologie alsmaar beperkter wordt, is men voor verdere verbeteringen genoodzaakt om in de uitlaat nog enkele zuiveringsprocessen in te voeren, die de uitlaatgassen opvangen en omzetten in onschadelijke gassen.
Deze
processen noemt men end-of-pipe technologie: zij zijn van cruciaal belang geweest in het terugdringen van
vervuilende emissies van voertuigen.
De katalysator
Om te voldoen aan de Euro-1 norm (1992), werd het
noodzakelijk om achter de motor een zuivering van de
uitlaatgassen in te lassen: de katalysator. De term katalysator
betekent in feite een stof die een reactie gemakkelijker
maakt, zonder zelf te reageren. De katalysatorpot
bevindt zich tussen de motor en de uitlaat van de
wagen. Hij is opgebouwd uit twee delen: de reductiekatalysator
en de oxidatiekatalysator (zie figuur). Beiden
bestaan uit een honingraatstructuur, waarvan het oppervlak
bekleed is met katalysatormateriaal (platina,
rhodium en palladium worden veel gebruikt).
In de reductiekatalysator wordt NOx op dit oppervlak gevangen
en omgezet in N2 (stikstofgas) en O2 (zuurstofgas),
beiden onschadelijk. De O2 komt vervolgens samen
met de rest van de uitlaatgassen en eventueel toegevoegde
lucht in de oxidatiekatalysator, waar hij reageert met
CH en CO, met de vorming van CO2 en H2O tot gevolg.
Voor een goede katalysatorwerking is het nodig dat
zo weinig mogelijk zuurstof de eerste katalysatorstap
binnenkomt, met andere woorden dat de motor net
genoeg zuurstof krijgt om de brandstof te verbranden.
Wanneer te veel zuurstof overblijft na verbranding,
komt de werking van de reductiekatalysator in
het gedrang. Voor dieselmotoren, die werken bij een
overmaat aan zuurstof in de verbranding, is het dus
niet mogelijk om de NOx-uitstoot aan te pakken met
deze katalysatoren; dieselkatalysatoren hebben dan
ook geen reductiegedeelte.
Door de combinatie van katalysator en steeds stijgende
motorefficiëntie konden de emissies van voertuigen
sterk verminderd worden. Maar het verhogen
van die efficiëntie, door verbeterd design en afstelling
van de motor, wordt steeds duurder met steeds
minder effect.
Nieuwe technologieën moesten dan ook ontwikkeld
worden om aan de steeds strengere normen te kunnen
voldoen, vooral op vlak van NOx en fijn stof voor
dieselmotoren.
Reduceren van NOx: Exhaust Gas Recirculation
(EGR)
Exhaust Gas Recirculation (EGR) is gebaseerd op een
zeer eenvoudig principe: een deel van de uitlaatgassen
wordt in de uitlaat opgevangen, gekoeld en opnieuw
vermengd met de inlaatlucht, die in de cilinders gaat.
Dit vermindert de NOx-uitstoot op twee manieren: ten
eerste is minder zuurstof aanwezig in de cilinder om
te reageren met stikstof; ten tweede heeft het nieuwe
mengsel een hogere warmtecapaciteit, wat betekent dat
het meer energie nodig heeft om tot eenzelfde temperatuur
op te warmen. De temperatuur in de verbrandingskamer
wordt dus minder hoog, wat ook leidt tot minder
NOx-vorming.
Hoewel de EGR-technologie de NOx-vorming nooit
tot nul zal herleiden, kunnen toch belangrijke reducties
bereikt worden. Een groot voordeel is dat de
nodige aanpassingen aan het voertuig eerder kleine
ingrepen zijn.
Reduceren van NOx: Selective Catalytic
Reduction (SCR)
Selectieve Katalytische Reductie (SCR) vormt een andere
manier om de NOx-uitstoot aan de uitlaat te verminderen.
Waar EGR de vorming van NOx tegengaat,
is SCR gebaseerd op het verwijderen van NOx uit de
uitlaatgassen.
In de uitlaatgassen wordt een extra stof geïnjecteerd,
het reductans (urea of ammoniak bij wijze van
voorbeeld12). Deze stof komt samen met de NOx aan
een katalysatoroppervlak (veelal vanadium of zeoliet)
waar ze samen reageren met vorming van onschadelijke
stoffen (N2, H2O) tot gevolg.
De dosering van het reductans is hierbij van groot belang:
indien te weinig, dan wordt niet al de NOX uit de uitlaatgassen van het voertuig verwijderd; indien te veel,
dan bevatten de emissies nog hoeveelheden reductans,
die ook schadelijk kunnen zijn. Een goed afgestelde
elektronische sturing is noodzakelijk voor de toepassing
van deze technologie. Ook de noodzaak voor een extra
tank, die regelmatig moet gevuld worden (AdBlue kan nu
al getankt worden in de vrachtwagenafdeling van veel
tankstations), vormt een rem op de introductie van deze
technologie. Het is met deze technologie echter wel mogelijk
om de uitstoot van NOX sterk terug te dringen, in
theorie tot quasi 0.
Reduceren van PM: de roetfilter
De roetfilter, die gebruikt wordt om de uitstoot van
fijn stof te verminderen, bestaat in feite uit een
materiaal met fijne openingen. Wanneer een deeltje
met afmetingen groter dan de opening de filter
bereikt, wordt het opgevangen.
Hoe meer deeltjes op de filter terechtkomen, hoe meer
openingen van de filter verstopt raken en hoe hoger de
tegendruk die de filter levert op de motor. Dit kan
schade toebrengen aan de motor, zodat het verwijderen
van de opgevangen deeltjes noodzakelijk wordt.
Dit verwijderen noemt men het regenereren van de
filter. Het kan op verschillende manieren gebeuren. De
eenvoudigste is externe regeneratie: de filter wordt,
na een bepaalde hoeveelheid deeltjes te hebben opgevangen,
verwijderd en extern gezuiverd. Dit vereist
echter frequent onderhoud (bijna maandelijks bij
normaal gebruik van de wagen), waardoor het geen
ideale oplossing is. De regeneratie kan ook intern gebeuren.
Meestal gebeurt dit door het injecteren van
een kleine hoeveelheid brandstof in de uitlaatgassen,
die ontsteekt ter hoogte van de filter en zo de deeltjes
die op de filter aanwezig zijn, wegbrandt. Het
verbranden van de deeltjes kan ook gebeuren door
externe (elektrische) verhitting van de filter.
Om schade aan de motor door tegendruk te vermijden,
is een goede afstelling van de regeneratiecyclus nodig.
Deze is erg afhankelijk van de werking van de motor.
Wanneer een roetfilter niet door de originele constructeur
geleverd wordt, maar achteraf gemonteerd (de zogenaamde
retrofit roetfilters), is deze afstelling vaak niet
mogelijk. Retrofit roetfilters zijn daarom dan ook vrijwel
altijd open filters, wat wil zeggen dat de uitlaat in twee
parallelle buizen gesplitst wordt: een met de roetfilter en
een gewone buis zonder obstakels. Dit betekent dat een
deel van de uitlaatgassen niet door de filter gaat. Naarmate
de filter meer verstopt raakt, gaan meer en meer
uitlaatgassen door het andere deel van de uitlaat en komen
dus ongezuiverd uit de uitlaat.
Door het regeneratieproces en de tegendruk die zij
leveren op de motor, doen roetfilters het verbruik en
dus de CO2-uitstoot van het voertuig licht stijgen.
De uitstoot van fijn stof wordt echter sterk verminderd
(meer dan 90% voor gesloten roetfilters, ongeveer 30 tot
50% voor open systemen).

Hoewel via end-of-pipe technologie vergaande
reducties kunnen bereikt worden, moet men toch
rekening houden met enkele beperkingen. De prijs
van deze technologieën, alsook de plaats die zij
innemen in het voertuig, zijn belangrijke obstakels.
Bovendien beperken zij weliswaar de uitstoot
van vervuilende emissies, maar verhogen zij in de
meeste gevallen de CO2-uitstoot van het voertuig.
Het invoeren van deze technologieën in het voertuig
is complexer dan ze gewoon in de uitlaatpijp inlassen.
Hun afmetingen en werking zijn afhankelijk
van de eigenschappen van de motor. De motor op
zijn beurt (en soms ook de brandstof) dient goed
afgesteld om een goede werking van het end-of-pipe
zuiveringsproces te garanderen.
Toch zullen deze technologieën, naarmate zij geperfectioneerd
en goedkoper worden, in de toekomst
een belangrijke rol blijven spelen in de emissiereductie,
zeker wanneer de meerprijs die zij met
zich meebrengen, wordt gecompenseerd met financiële
maatregelen om hun invoering te bevorderen.
Hierbij moet men echter wel opletten de resultaten
te belonen, niet de technologie waarmee zij bereikt
werden. Enkel technologieneutrale maatregelen stimuleren
de creativiteit en het onderzoek naar verschillende
mogelijkheden en verzekeren dat ook in
de toekomst de meest efficiënte reductietechnologie
zal worden toegepast.
