In deze brochure passeerden een waaier aan technologische optimalisaties en innovaties de revue. Stuk voor stuk tonen ze het parkoers dat de industrie de voorbije jaren heeft afgelegd, en geven richting aan de milieu(r)evoluties die de auto morgen nog te wachten staan.
Maar wat betekenen deze ontwikkelingen nu concreet in ons dagelijks leven? Scherper gesteld: zijn deze
inspanningen voldoende om de impact van het autoverkeer op de luchtkwaliteit in onze steden en op onze
wegen te beperken?
In 2006 voerde onderzoeksbureau Transport&Mobility
Leuven (TML) een studie (Zie ook www.febiac.be/public/content.aspx?FID=518) uit over de huidige en
toekomstige emissies van het wegverkeer in België.
Het onderzoek gebeurde in opdracht van FEBIAC en
de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.
Meer bepaald werd de evolutie van de uitstoot van
vervuilende stoffen en CO2 berekend van 1990 tot
2030.
Hierbij werd enkel rekening gehouden met de huidige
maatregelen en technologische stand van zaken.
Nieuwe, te verwachten technologieën die hun weg
zouden vinden onder de motorkap werden niet in
rekening genomen. Daardoor geeft de studie een
minimumresultaat.
De conclusies van deze studie zijn sprekend.
Ondanks een continue stijging van het aantal
afgelegde kilometers, werd een duidelijke daling
vastgesteld van de vervuilende emissies sinds 1995.
Dit wordt bevestigd door het recent verschenen
MIRA-T rapport (Zie ook www.milieurapport.be) van de Vlaamse milieumaatschappij.
Zo is de uitstoot van koolwaterstoffen (NMVOS)
en van fijn stof (PM2,5) sterk gedaald (zie grafiek).
Die daling zal zich volgens de TML-studie de komende
10 jaar verder zetten, zelfs zonder extra inspanningen of
maatregelen om auto’s schoner te maken (Met de invoering van de Euro-5 en Euro-6 norm, respectievelijk vanaf 2009 en 2014, is een verdere terugval van de PM- en NOx-uitstoot ook na 2015 verzekerd). De nieuwe
autoverkoop zorgt er namelijk voor dat de oudere auto’s
jaar na jaar uit het park worden gehaald. Dat is goed
voor het milieu: voertuigen vervuilen een stuk meer
naarmate zij ouder zijn: dezelfde TML-studie wees uit
dat in 2005 auto’s van meer dan 10 jaar oud goed
waren voor 25% van het autopark en 10% van de autokilometers,
maar wel verantwoordelijk zijn voor 30% van
de luchtvervuiling afkomstig van het autoverkeer.
Het milieu is er dan ook bij gebaat dat het gebruik
van relatief jonge wagens minstens in stand wordt
gehouden, en dat van oude wordt ontmoedigd op
een sociaal aanvaardbare manier. Het bereiken van
een wenselijk vervangingsritme (Een ritme dat het autopark geleidelijk verjongt in plaats van veroudert, zoals de laatste jaren het geval is in België) van het autopark is
dus een belangrijke sleutel tot een schoner verkeer.

Hoewel alle vervuilende emissies een duidelijke daling
vertonen, is dit voor CO2 enigszins anders: er is wel
een loskoppeling te zien tussen de CO2-uitstoot en het
aantal gereden kilometers (Deze loskoppeling betekent dat per gereden km minder CO2 uitgestoten wordt, een duidelijk teken van technologische vooruitgang), maar de daling evolueert
traag en zet zich niet verder in de toekomst. Bijkomende
maatregelen zijn nodig. Een autofiscaliteit die auto’s
bevoordeelt naarmate ze minder CO2 uitstoten, kan de
verkoop en het gebruik van zuiniger modellen bevorderen
en zo de totale CO2-uitstoot van ons wagenpark
terugdringen. Wel moet de wetgever erop toezien om
geen te strenge CO2-normen op te leggen, anders wordt
de technologie om dit te realiseren zo duur dat nieuwe
auto’s onverkoopbaar worden, en blijven de mensen
langer met hun oudere auto rondrijden.
Uit deze analyse en brochure mag blijken dat de autoindustrie
haar verantwoordelijkheid op milieuvlak omzet
in daden. Dag na dag worden nieuwe technologieën
ontwikkeld, verfijnd en verwerkt in nieuwe modellen. Op
deze manier werden auto’s gaandeweg steeds schoner,
en zullen ook in de toekomst de emissies van het autoverkeer
gereduceerd worden.
De introductie van deze technologieën wordt bepaald
door verschillende factoren zoals vraag van de markt,
brandstofkost en regelgeving. De overheid speelt dan ook
een belangrijke rol bij het uitstippelen van de strategie.
Zij moet zowel producent als consument sturen naar
zuinigere, schonere en betaalbare auto’s, maar ook een
wetgevend kader scheppen voor de invoering en promotie
van alternatieve brandstoffen, in samenwerking
met alle betrokken sectoren.
Wanneer men wetgeving bespreekt om de emissies te
beperken, is het belangrijk dat deze wetgeving technologieneutraal
blijft. Dit betekent dat het gewenste resultaat
moet gereglementeerd worden, niet de technologie
om dit resultaat te bereiken (Dit gebeurt enigszins met de Euronormen: voor diverse emissies worden limietwaarden bepaald en geen technologieën voorgeschreven om die emissies aan te pakken). Enkel op deze manier
worden creativiteit en innovatiedrang in onderzoek en
ontwikkeling van nieuwe oplossingen gestimuleerd.
Duidelijkheid en voorspelbaarheid van het beleid
inzake milieu dragen in belangrijke mate bij tot een
efficiënt gebruik van beschikbare R&D-middelen.
Te veel gelijktijdige, soms tegenstrijdige prioriteiten
daarentegen werkt vertragend en kost handenvol
geld.
Wanneer de net genoemde beleidsprincipes worden
nageleefd – technologieneutraal, duidelijke prioriteiten
en een langetermijnvisie op een efficiënt en duurzaam
beleid –, dan kan de technologische vooruitgang de
emissies van de auto’s steeds verder beperken, zodat dit
voor velen onmisbare vervoermiddel ook in de toekomst
zijn plaats in onze maatschappij kan behouden, zonder
een bedreiging te zijn voor ons of onze planeet.