Dit voorjaar was het weer zover: een snelheidsbeperking van 90 km/u op het grootste deel van de Vlaamse autosnelwegen. De reden: smogalarm. Deze arbeidsintensieve ad hoc maatregel, waarbij de borden telkens manueel moeten worden omgedraaid, moet de fijstofpieken enigszins afvlakken. Hoe effectief deze maatregel is, moet onderzoek nog uitmaken. Intussen wordt uitgekeken naar maatregelen om de fijnstofproblematiek grondiger en met blijvend effect aan te pakken.
De term “smog” komt van het Engels en vormt een
samentrekking van “smoke” (rook) en “fog” (mist). Het
woord wordt gebruikt om een te hoge concentratie aan
vervuiling in de lucht weer te geven. Smog kan in principe
gebruikt worden voor alle vervuiling, in België horen
we de term vooral in de winter. Wintersmog is voornamelijk
een te hoge concentratie fijnstof in de lucht.
Fijnstof, afgekort tot PM (van het Engelse Particulate
Matter), duidt op minuscule vaste of vloeibare deeltjes
die in de lucht zweven. Hun chemische samenstelling is
zeer variabel en afhankelijk van de bron die ze uitstoot.
De belangrijkste eigenschappen en effecten van het stof
(gezondheidseffecten, levensduur in de atmosfeer) zijn
sterk afhankelijk van de deeltjesgrootte, die er dan ook
vaak wordt bijvermeld. PM10, omvat alle deeltjes met
een maximale afmeting van 10 micrometer en wordt het
meest gebruikt voor normering.
PM2,5 of ultrafijnstof (kleiner dan 2,5 micrometer) komt
de laatste tijd meer in de belangstelling, omdat kleinere
deeltjes schadelijker zouden zijn voor de volksgezondheid.
Wanneer dit stof wordt ingeademd, zet een deel
zich af in de luchtwegen, waarbij de kleinste deeltjes het
diepst in de longen doordringen. Hoge concentraties stimuleren
infecties en aandoeningen van de luchtwegen,
en kunnen het risico op kanker verhogen.
Fijnstof globaal bekeken
De fijnstofproblematiek is complex, aangezien de concentratie
in de lucht niet enkel afhankelijk is van de
emissie. Globaal blijft de jaargemiddelde fijnstofconcentratie
in België duidelijk onder de opgelegde norm. Door
de dichtheid van bevolking en activiteiten in ons land worden de dagnormen echter vaker overschreden dan
wat Europa voorschrijft. Het weer speelt een belangrijke
rol bij deze fijnstofpieken, die veelal ontstaan bij zogenaamde
inversie: dit is een atmosferische toestand waarbij
de onderste luchtlaag niet beweegt en niet mengt
met hogere lagen, zodat alle vervuiling in de onderste
laag blijft hangen; deze toestand treedt vooral op in de
wintermaanden.
Daarnaast kan fijnstof zich, onder invloed van de wind,
over grote afstanden verplaatsen, waardoor tot 80% van
het fijnstof in België geïmporteerd wordt uit het buitenland.
Een nationaal -laat staan regionaal- beleid moet dus
worden ondersteund door gelijklopende EU-initiatieven om
belangrijke concentratieverminderingen te bekomen.
Fijnstof lokaal bekeken
Volgens MIRA-T, het milieurapport van de Vlaamse
overheid, zijn landbouw, transport en industrie de
belangrijkste menselijke bronnen van PM10. Waar de
emissievolumes van landbouw en industrie grotendeels
constant blijven, vertoont de transportsector een
belangrijke daling: 1,4 kton minder uitstoot tussen
2000 en 2005, ondanks vervoerstoename. Deze winst is
te danken aan de technologische vooruitgang die moet
voldoen aan steeds strengere Europese uitstootnormen
voor auto’s, trucks en motoren.
Binnen de automobielsector zijn dieselmotoren, door
hun korte mengtijd voor brandstof met lucht, de
belangrijkste bron van fijnstof, maar ook benzinemotoren
produceren een kleine hoeveelheid.
Naast uitlaatemissies produceert elk voertuig ook nietuitlaatemissies
(slijten van remschijven en banden,
opwaaiend stof...). Voor sommige transportmodi is dit
niet-uitlaatstof zelfs belangrijker dan de uitlaat, zo
veroorzaakt treinvervoer per reizigerkilometer een zelfde
hoeveelheid fijnstof als een gemiddelde wagen.
Reeds jaren werken de constructeurs aan het terugdringen
van de fijnstofuitstoot van dieselwagens, zoals blijkt uit
de steeds strengere Euro-limietwaarden voor PM10: van
140 mg in 1992 naar 25 mg in 2005, een daling van
meer dan 80%. Initieel volstond het om het verbrandingsproces
te verbeteren, wat minder onverbrande resten in
de uitlaatgassen opleverde. Gaandeweg werd deze piste
steeds moeilijker en duurder, zodat zuivering ter hoogte
van de uitlaat noodzakelijk werd (zgn. end-of-pipe). De
roetfilter blijkt hier een kostefficiënt antwoord.
Roetfilterwerking en -types
Roetfilters worden meestal gemaakt uit metaal of
keramisch materiaal, met een structuur die de lucht
een zo lang mogelijke weg met veel afbuigingen laat
maken om door het filtermateriaal te stromen.
De fijnstofdeeltjes kunnen door inertie de afbuiging
van de luchtstroom niet volgen, botsen met het filtermateriaal
en blijven hangen.
Naarmate meer deeltjes gevangen worden, krijgt de
luchtstroom door de filter het almaar moeilijker.
Om te vermijden dat de filter zijn werking verliest,
zal een zogenaamd regeneratieproces de deeltjes
verwijderen. Tijdens dit proces wordt de temperatuur
in de filter verhoogd (door de filter elektrisch te verwarmen,
door een kleine hoeveelheid brandstof in te
spuiten in de uitlaatgassen...), wat de deeltjes op de
filter verbrandt. De meeste roetfiltertypes die op dit
moment op de markt zijn, regenereren de filter wanneer
de wagen snel genoeg rijdt (> 70 km/u): dan
worden de vereiste temperaturen bereikt.
Verder moet een belangrijk onderscheid gemaakt
worden tussen open en gesloten roetfilters. Bij
gesloten filters wordt de volledige uitlaatgasstroom
door de filter geleid. Hoe meer de filter verstopt
raakt, hoe meer er tegendruk geleverd wordt op de
motor (met mogelijke schade tot gevolg bij te hoge
druk). Een goede afstelling van motor en filter is dus
noodzakelijk. De installatie van gesloten filters is dan
ook enkel aangewezen via originele montage door de
constructeur. Dit type kan de PM-uitstoot van een
wagen met meer dan 90% verminderen.
Open roetfilters vereisen deze afstelling niet. Bij dit
type wordt de uitlaatpijp gesplitst: een deel van de
uitlaatgassen stroomt door de filter, een deel door
een gewone, niet gefilterde uitlaat. Naarmate de filter
meer verstopt, zal de weerstand van de gefilterde pijp
toenemen, en zullen meer uitlaatgassen via de niet
gefilterde pijp lopen. De filter verliest geleidelijk zijn
werking, zonder dat de motor schadelijke tegendruk
ondervindt. Het gemiddelde zuiveringsrendement
van dergelijke open filters bedraagt 30% tot 50%.
Fijnstof verdient een doortastende aanpak
Het fijnstofprobleem zal niet worden opgelost door
ad hoc maatregelen zoals de snelheidsbeperkingen
bij smogalarm. Om de uitstoot door transport te
beperken, is een versnelde invoering van schone
technologie een bewezen oplossing, zoals blijkt uit
de emissiecijfers van transport de voorbije jaren,
waarbij ondanks de grote groei van het transport de
uitstoot toch significant gedaald is.
Ook de huidige federale premie van 200 euro bij
aankoop van een dieselwagen met een origineel
gemonteerde roetfilter die bovendien niet meer dan
130g/km CO2 mag uitstoten, blijkt weinig effectief,
zo leren de cijfers. Niet alleen ligt de premie beduidend
lager dan de kost van de filter (zo’n 600 euro),
de CO2-uitstootbegrenzing en het feit dat enkel
particulieren recht hebben op de premie, maakte
dat vorig jaar slechts 1% van de in België verkochte
dieselwagens in aanmerking kwam.
Sommigen willen het probleem aanpakken door de
dieselprijs fors te verhogen. Hierbij mogen de voordelen
van diesel niet uit het oog verloren worden.
Dankzij het hoge aantal dieselwagens in ons park
scoort België opmerkelijk beter dan Europa wat
betreft de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuw verkochte
auto’s: 152g/km in België tegenover 160g/km
in Europa. Bovendien zijn nieuwe diesels al gevoelig
schoner dan enkele jaren geleden, en zullen hun fijnstofemissies
vanaf 2009 dalen tot hetzelfde niveau
als benzinewagens, dankzij de Euro 5 emissienorm.
Het probleem situeert zich dus vooral in het aandeel
oude diesels in ons wagenpark.
Om de fijnstofuitstoot van deze oude dieselwagens
aan te pakken, zijn 2 pistes mogelijk. Een recyclageregeling
– in 2007 onderzocht door toenmalig
Vlaams milieuminister Kris Peeters –, die een premie
uitreikt aan wie zijn oud voertuig vervangt door een
recenter model, zal een belangrijke invloed hebben,
niet alleen op vlak van roet, maar ook van andere
emissies zoals CO2 en NOX.
Een tweede piste, die de basis vormt van het voorstel
van huidig Vlaams milieuminister Hilde Crevits,
voorziet bij de installatie van zowel retrofit- als origineel gemonteerde roetfilters, een premie die
bijna de volledige prijs van de filter zou compenseren.
Indien de installatie van gecertifieerde roetfilters
gebeurt door erkende installateurs, kan deze
maatregel de uitstoot van (uitsluitend) fijnstof sterk
verminderen. Daartoe dient de overheid wel een
sluitend certificatiesysteem op te zetten. Uiteraard
zal de impact nog groter zijn als de maatregel
wordt uitgebreid tot de andere gewesten in België.
Anderzijds zijn retrofit filters op oude wagens (van
voor 2000) niet mogelijk of niet aangewezen.

Besluit
Hoewel FEBIAC de recyclagepremie als de meest
doeltreffende oplossing beschouwt in de globale
aanpak van de luchtvervuiling, is een combinatie
van beide voorstellen, waarbij de oudste wagens
uit het park verdwijnen en diesels die nog niet aan
vernieuwing toe zijn uitgerust worden met een roetfilter,
een effectieve manier om de fijnstofemissies
van personenwagens aan te pakken. De koppeling
van deze maatregelen aan de Europese initiatieven
van technologische verbetering, zal er toe leiden dat
de Belgische fijnstofproblematiek doortastend wordt
aangepakt.