Op 8 juli stelde de Europese Commissie haar “Pakket Groener Vervoer” voor (COM(2008) 433). Met een reeks initiatieven wil ze vervoer duurzamer maken. Zo moeten transportprijzen de reële maatschappelijke kost weergeven, kunnen EU-lidstaten een efficiëntere, groenere tol heffen op vrachtwagens en wordt gekeken hoe het vrachtvervoer per spoor stiller kan worden gemaakt. De automobielindustrie vreest voor economische gevolgen.
Mobiliteit is essentieel voor steeds meer mensen en
voor de groei en concurrentiekracht van bedrijven in
een uitgebreide EU. Dat vertaalt zich in meer vervoer
van personen en goederen. En op zich is dat goed, want
meer vervoer duidt op meer economische groei, handel,
tewerkstelling en ontmoetingen tussen mensen.
De vervoersen verkeersgroei legt echter steeds meer
druk op onze infrastructuur, die niet mee is geëvolueerd en de congestie heeft versterkt. Daarnaast brengt
het wegverkeer nog te veel ongevallen en milieubelasting op lokaal en globaal niveau. Een andere beprijzing
kan volgens de Commissie transport efficiënter en
groener maken, waarbij extra kosten gecompenseerd
zullen worden door de baten voor de economie in
haar geheel.
Naast een overzicht van al genomen maatregelen op
EU-niveau om transport te vergroenen, bevat het pakket drie nieuwe initiatieven om de impact van vervoer
de komende jaren te beperken in vijf probleemgebieden: vervuiling, lawaai, congestie, ongevallen en
klimaatverandering.
Ten eerste stelt de Commissie een strategie voor om
de externe kosten van alle vervoermodi te internaliseren. Idee is om de indirecte kosten die het transport
veroorzaakt aan de samenleving, te verhalen via een
correctere prijszetting. Bij de strategie zit een lang verwachte technische bijlage met een methodologie om
de externe kosten te ramen en internaliseren, alsook
een effectenonderzoek.
Ten tweede past de Commissie haar internaliseringstrategie –hoewel bedoeld voor alle vervoermodi– meteen
en enkel toe op het vrachtvervoer over de weg.
De aanleiding vindt de Commissie in het feit dat
vrachtverkeer over de weg sneller groeit dan de economie en dat het verantwoordelijk is voor een kwart van
de luchtvervuiling en congestie door het wegverkeer.
Concreet heeft ze een voorstel klaar om de richtlijn
betreffende infrastructuurheffingen voor zware vrachtvoertuigen, de zgn. Eurovignet-richtlijn, te herzien.
Een derde initiatief, waar we hier niet verder op ingaan,
betreft de aanpak van luidruchtige oude vrachttreinen.
Tegen het jaareinde wil de Commissie de EU-regels rond
spoortoegangsheffingen wijzigen om het gebruik van
wagons met geluidsarme remsystemen te promoten.
Internalisering: een blijvend twistpunt
Europa heeft een vervoersysteem nodig dat de samenleving zowel op economisch, sociaal als milieuvlak
vooruit helpt. Het beleid moet deze drie pijlers van
duurzaamheid in balans brengen. Concreet moeten de
negatieve effecten van vervoer worden beperkt zonder
een rem te zetten op economische groei en sociale
vooruitgang. De instrumenten hiertoe moeten doeltreffend, transparant, billijk en kostenefficiënt zijn om
aanvaard te worden.
De Europese Commissie ziet een belangrijk instrument in de beprijzing van vervoer via internalisering
van externe kosten volgens de Marginale Sociale
Kost-theorie (MSK). De bewijzen dat dit de beste
weg naar duurzaamheid is, zijn wankel. De gebruikte
methodologie is gebaseerd op het zgn. CE Delft
Handboek, dat niet onbesproken is (1) :
- dit onderzoek geeft geen eigen berekening van
externe kosten, enkel een compilatie van bestaande
studieresultaten zonder verdere kritische evaluatie;
- de kostenramingen in deze studies lopen sterk uiteen, zodat onzekerheid heerst over de methodologie, definitie en structuur van de externe kosten;
- een aantal externe kost-categorieën zijn al geheel
of gedeeltelijk geïnternaliseerd (zie verder);
- er wordt geen rekening gehouden met al betaalde
belastingen en heffingen, noch met vervoersubsidies;
- elke economische analyse moet oog hebben voor
de kosten- en batenzijde. De externe baten van
transport blijven in het Handboek gewoon buiten
beschouwing.
Verder toont het effectenonderzoek rond internalisering een mogelijk negatieve impact op industrie,
diensten, tewerkstelling, export en consumptie door
de gestegen transportkosten en inflatie, maar verzekert dat er ‘gronden zijn om te geloven’ dat het
de globale Europese concurrentiekracht op termijn
ten goede zal komen... Anderzijds blijft een kosten-
batenanalyse achterwege die internalisering vergelijkt
met andere beleidsopties.
Eurovignet: welke kosten en wat met de
opbrengsten
Deze wankele basis weerhoudt de Commissie er niet
van om internalisering hard te maken in een voorstel
ter herziening van de Eurovignet-richtlijn. Wel erkent
ze de beperkingen van de MSK-benadering en gebruikt
ze aannames en vereenvoudigingen voor de kostenramingen...
In het nieuwe voorstel evolueert het heffingsprincipe
van ‘de gebruiker betaalt’ naar ‘de vervuiler betaalt’,
blijft de invoering facultatief voor lidstaten, zijn enkel
vrachtwagens onderworpen, maar wordt de heffing
uitgebreid tot het ganse wegennet. Lidstaten die een
(nieuwe) heffing overwegen, moeten die berekenen in
functie van een drietal categorieën van externe kosten
(naast de huidige infrastructuurkosten): vervuiling,
congestie en lawaai.
Externe ongevalkosten en CO2 blijven, terecht, buiten beschouwing: CO2 wordt nu al deels verrekend
–weliswaar met verschillen tussen lidstaten– via de
bestaande systemen van brandstoftaksen en -accijnzen; ongevalkosten zijn grotendeels gedekt door de
verzekeringspremies. Bovendien hebben ongevallen niet zozeer te maken met de afgelegde kilometers dan
wel met het rijgedrag. Bodemgebruik en verlies aan
biodiversiteit blijven eveneens buiten beschouwing: ze
worden eerder bepaald door de aanwezigheid dan door
het gebruik van infrastructuur. Wel zal de Commissie
voor eind 2013 onderzoeken of de richtlijn ook toegepast kan worden op andere voertuigcategorieën en
met integratie van externe kostfactoren die nu niet
opgenomen zijn.
Op het vlak van vervuiling en lawaai is al heel wat vooruitgang geboekt zonder te beprijzen. Voortdurende
technische vooruitgang zorgt ervoor dat elke nieuwe
generatie voertuigen schoner en stiller wordt, terwijl
ook overheden en wegbeheerders de negatieve externaliteiten verder naar beneden kunnen brengen, bv.
via de plaatsing van polluent -en geluidsabsorberende
weginrichtingen.
Congestie als externe kost blijft een twistpunt. Nogal
wat instanties, waaronder wetenschappers, beschouwen congestie niet als een externe kost voor de
samenleving: weggebruikers weten vaak waar congestie optreedt, kiezen dus voor congestie en hinderen
elkaar. Elke weggebruiker ondervindt en veroorzaakt
tegelijk congestie, waardoor congestiekosten tussen de deelnemers aan het transportsysteem worden
gecompenseerd. Congestie kan dus niet zomaar bij de
klassieke externaliteiten worden geteld. Door ze aan te
rekenen zouden weggebruikers dus een tweede keer
betalen voor congestie.
Trouwens, de oorzaken van congestie worden vaak in
de schoot geworpen van de weggebruikers, maar wat dan met overheden en wegbeheerders die nalaten om
verkeerslichten in te stellen op een vlotte verkeersstroom, om wegenwerken vooraf aan te kondigen
of op elkaar af te stemmen, of nog, om up-to-date
verkeersinformatie te verspreiden zodat mensen en
bedrijven kunnen beslissen om zich niet, vroeger, later
of via alternatieve routes / vervoermodi te verplaatsen?
Congestie is een gedeelde verantwoordelijkheid: overheden en wegbeheerders hebben de taak om al het
nodige te doen om de bestaande wegcapaciteit maximaal te kunnen benutten, zeker als gebruikers daar
straks voor moeten betalen. Zo kunnen per wegtype
kwaliteits- en verkeersafwikkelingsnormen bepaald en
opgelegd worden, onder dewelke weggebruikers niet
voor congestie hoeven te betalen.
Elk heffingsysteem moet in ieder geval voldoen aan
enkele basisprincipes en criteria om resultaten te
boeken. Er is nood aan eenvoud, transparantie, billijkheid en kostefficiëntie om aanvaard te worden
door gebruikers. Die horen vooraf te weten hoeveel
en waarvoor ze moeten betalen. Kernvraag is waartoe
de inkomsten zullen dienen. Afgemeten op de staat
van het wegennet in ons land, zou het een gemiste
kans zijn als België de inkomsten niet zou bestemmen voor de modernisering van het wegennet –dit
uiteraard bovenop het huidige, in België sowieso al
magere wegenbudget. Hadden België en de regio’s
immers geen ambitie om ons wegverkeer vlotter en
veiliger te maken, en zodoende een logistieke draaischijf van Europa te zijn?
De toewijzing van de inkomsten is trouwens één van de
principes uit de MSK-beprijzingstheorie: inkomsten uit
internalisering moeten bestemd zijn voor de vervoermodus waarop een belasting of heffing wordt betaald.
Kruissubsidiëring voor andere modi is dus vanuit theoretisch standpunt onlogisch en zal anderzijds door de
weggebruikers moeilijk aanvaard worden. Het argument
dat kruissubsidiëring het ‘onevenwicht’ zal wegwerken
tussen vervoermodi houdt weinig steek: de huidige
‘modal split’ is immers geen onevenwicht, maar het
gevolg van een keuze van consumenten en verladers
voor deze of gene modus op basis van beschikbaarheid, flexibiliteit en kwaliteit. Er is een andere aanpak
nodig dan beprijzing van de efficiëntste modus om de
dienstverlening van alternatieven te verbeteren.
Besluit
Het effectenonderzoek rond internalisering en de afwezigheid van kosten-batenanalyses laten heel wat vragen en
beleidsopties open. Door de onzekerheid over de gevolgen
voor de Europese economie, tegen de achtergrond van
een nakende recessie, begeeft de Commissie zich met het
huidige voorstel van richtlijn op glad ijs. Het Europese parlement en de Raad doen er dan ook goed aan de nodige tijd
uit te trekken om het debat ten gronde te voeren. Daarin
wil de automobielindustrie alle beschikbare gegevens aanreiken om tot doordachte beslissingen te komen.
(1) Prof. Dr Herbert Baum, Institute for Transport Economics at the University of Cologne, Mei 2008,
http://www.acea.be/index.php/files/a_critical_review_of_the_calculation_of_external_costs_of_transport