Vous êtes ici  ›Home› Dossiers

10 AANBEVELINGEN VOOR EEN ROBUUST WEGENNET (JANUARI 2013)

Meerdere honderden kilometer file op de snelwegen, dat is de boodschap die dag na dag de radiouitzendingen ‘opluistert’. Maar naast structurele files op de hoofdverkeerassen zijn er nog veel meer bronnen van ergernis, vertraging en onveiligheid: onduidelijke of inconsequent aangelegde weginfrastructuur en kruispunten, nietgesynchroniseerde verkeerslichten, onderbenutte of overbelaste infrastructuur, eindeloos lijkende werkzaamheden, en ga zo maar door.

In dit nummer reiken wij 10 concrete aanbevelingen aan die het mogelijk maken om op die kleine en grote ergernissen structureel in te werken. Zij zijn overgenomen uit de studie “Een opgewaardeerd regionaal netwerk als onmisbare schakel van een robuust wegennet met minder files” dat in opdracht van FEBIAC en TOURING in 2009 werd uitgevoerd door de KU Leuven. De studie heeft echter niets aan actualiteit en relevantie ingeboet.

Het pleidooi van deze studie om, zowel op lokaal als op nationaal vlak, deze structurele problemen van ons wegennet aan te pakken, botst nogal eens op vooroordelen, misvattingen, tot zelfs desinformatie. Dat is niet enkel intellectueel onjuist, heel onze maatschappij betaalt er ook een veel te hoge prijs voor.

Tijd dus om deze vooroordelen in een juist perspectief te stellen. Neem nu de moeder aller vooroordelen, namelijk dat meer of betere wegen sowieso leiden tot meer verkeer. We hebben het dan over het ‘aanzuigeffect’ en het bijhorende argument dat investeren in het verbeteren van de weginfrastructuur geen enkele zin heeft omdat het enkel meer verkeersvraag veroorzaakt en meer verkeer aantrekt. En dat dus, binnen de kortste keren, de situatie net dezelfde is als voorheen.

Indien een nieuwe, verbrede of verbeterde weg onmiddellijk weer volloopt, was het wellicht ook hoog nodig om hem aan te leggen. Dit betekent immers dat die ogenschijnlijk nieuwe stromen al elders in het netwerk zaten. Vaak in de vorm van sluipverkeer met alle lokale overlast en onveiligheid van dien. Het aanzuigen en kanaliseren van een verkeersstroom daar waar hij hoort en waar hij beter bediend en gecontroleerd kan worden, is dan een duidelijke winst.

Deze verbetering niet uitvoeren omdat het in druist tegen het beleid van modal shift, houdt evenmin steek. Modal shift op zich mag geen beleidsdoel zijn. Dit wordt duidelijk met een voorbeeld ex absurdo. Als een modal shift richting openbaar vervoer een beleidsdoel op zich zou zijn, is de meest effectieve en efficiënte maatregel het blokkeren van alle invalswegen naar Brussel. Het autoaandeel zou immers op nul terugvallen: de ultieme modal shift! Stelt men niet het marktaandeel, maar bijvoorbeeld het maatschappelijke nut als beleidsdoel, blijkt al gauw de onzin van deze maatregel.

Overigens is het vreemd dat het aanzuigeffect enkel wordt ingeroepen tegen verbeterde wegen. Dit mechanisme geldt immers ook voor het openbaar vervoer. Goedkoop of gratis openbaar vervoer zuigt meer gebruikers aan, veelal mensen die voordien fietsten, te voet gingen of gewoon thuis bleven. Indien men voor gratis openbaar vervoer is omdat senioren dan mobieler kunnen zijn, dus meer sociale contacten hebben, en men dit maatschappelijk als een meerwaarde ziet, moet men ook kunnen waarderen dat dankzij de auto diezelfde senioren bezoek kunnen krijgen van hun kinderen en kleinkinderen. Dus niet: de auto zuigt verkeer aan en het openbaar vervoer vervult een sociale functie. Beide systemen zuigen verkeer aan en beide vervullen een sociale functie. De vraag moet zijn: was dit ons doel? Tegen welke kost bereiken we dit? En hebben we dat ervoor over?

De tien aanbevelingen die hierna volgen, moeten het mogelijk maken om ons wegennet op een efficiënte, snelle en betaalbare manier te optimaliseren met het oog op de sociale en economische functie die wij er vanuit het beleid én vanuit de gebruiker aan toewijzen.

Aanbeveling 1: Steek struktuur in het wegennet
Aanbeveling 2: Stem functie en vormgeving van een weg op elkaar af
Aanbeveling 3: Enkel homogene en geloofwaardige snelheidslimieten zijn duurzaam en veilig
Aanbeveling 4: Maak verkeerslichten tot regelaar van vlot verkeer, niet tot bron van files
Aanbeveling 5: Geen wegenwerken zonder ‘minder hinder’-maatregelen
Aanbeveling 6: Vrije busbanen zijn geen doel, maar een middel
Aanbeveling 7: Wees consistent in de (her)aanleg van kruispunten
Aanbeveling 8: Wees voorbereid op incidenten en beheer(s) ze
Aanbeveling 9: Laat dynamisch verkeersmanagement geen toekomstbeeld blijven
Aanbeveling 10: Neem de reële verkeersstroom als uitgangspunt voor de verkeersafwikkeling

 

 

Aanbeveling 1: Steek struktuur in het wegennet

De voortdurende groei van de mobiliteit heeft er voor gezorgd dat het autosnelwegennetwerk tijdens de spitsuren meer dan vol zit. Rond grote steden als Brussel en Antwerpen leidt dit tijdens de ochtend- en avondspits tot lange files, maar ook buiten de spitsuren worden we (o.a. als gevolg van incidenten en evenementen) in toenemende mate met files geconfronteerd. Ondanks deze problemen wil de overheid, meer nog dan nu het geval is, het verkeer afwikkelen via het autosnelwegennet. Als gevolg hiervan zal de druk op dit netwerk verder toenemen waardoor de verkeersafwikkeling er erg kwetsbaar wordt. Kleine verstoringen kunnen dan al files oproepen.

Alles naar de snelweg is dus niet de juiste strategie. Integendeel! In navolging van onze buurlanden dient de structuur van het netwerk zodanig te wijzigen dat de (kortere) regionale verplaatsingen niet meer op het autosnelwegennetwerk, maar op een eigen netwerk (stelsel) kunnen worden afgewikkeld. Dit kan door een beperkt deel van het huidige regionale wegennetwerk op te waarderen, waardoor het als een apart, samenhangend verkeersnetwerk, naast het autosnelwegennet gaat functioneren.

Deze benadering biedt grote voordelen:

  • Alle wegvakken van het autosnelwegennet krijgen een terugvaloptie (een bypass); hierdoor • wordt de betrouwbaarheid van de verkeersafwikkeling in het gehele netwerk fors verhoogd. Zo kan bij incidenten op het autosnelwegennet het verkeer tijdelijk worden omgeleid naar dit regionale net.
  • De totale capaciteit van het wegennetwerk neemt toe, waardoor een deel van de voorspelde groei van de mobiliteit kan worden opgevangen.
  • Opwaardering van het regionale netwerk is goedkoper dan uitbreiding van het hoofdwegennet vanwege de lagere ontwerpstandaard (bijv. minder ongelijkvloerse kruisingen).
  • De vormgeving van het opgewaardeerde regionale wegennetwerk (gescheiden rijbanen; alleen gemotoriseerd verkeer), in combinatie met de aangepaste snelheid (80 km/uur) bevorderen de verkeersveiligheid.
  • Zwaar belaste knooppunten in het autosnelwegennetwerk worden ontlast.

Een modelberekening voor een volgens dit concept geordend netwerk geeft aan dat de baten (minder reistijdverliezen, grotere reistijdbetrouwbaarheid en verkeersveiligheid) de kosten (investerings- en milieukosten) ruimschoots overtreffen en ervoor zorgen dat de investering in een beperkt aantal jaren wordt terugverdiend.

 

Aanbeveling 2: Stem functie en vormgeving van een weg op elkaar af

Onderstaande figuur geeft het snelheidsverloop (de toegestane maximum snelheid) weer op een typische regionale verbindingsweg, in dit geval de N9 tussen Turnhout en Aarschot. Het valt op dat de maximum toegestane snelheid voortdurend verandert. Hetzelfde geldt overigens ook voor de functie en de vormgeving van de weg, met dien verstande dat functie, vormgeving en snelheid bovendien ook nog eens niet één op één op elkaar afgestemd zijn.

De inconsistentie tussen functie en vormgeving van de weg (en de kruispunten) wordt mede in de hand gewerkt doordat veel wegen in België –de N9 is slechts een van de vele voorbeelden– meer dan 1 functie vervullen. Zo combineert de N9 vaak drie functies: stroomfunctie als verbinding tussen 2 steden, ontsluitingsfunctie in het bedienen van woonwijken en bedrijventerreinen en erffunctie in het toegankelijk maken van individuele percelen. Deze menging van functies leidt tot veel conflicten tussen de verschillende gebruikers, met een verhoogd ongevalsrisico als gevolg.

In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) is een wegencategorisering opgesteld voor de belangrijkste Vlaamse wegen. Blijkbaar is bij de uitwerking van die categorisering meer de bestaande vormgeving van de weg als uitgangspunt genomen in plaats van de functie die de weg vervult. Het gevolg is een onsamenhangend regionaal wegennet waarbij de vormgeving van de weg en de er toegestane snelheid voortdurend veranderen. Het grote voorbeeld voor de in het RSV bepleite aanpak is het concept ‘Duurzaam Veilig’ dat in Nederland is toegepast. In het concept ‘Duurzaam Veilig’ worden de volgende veiligheidsprincipes gehanteerd:

  • Functionaliteit: functioneel gebruik voorkomt onbedoeld gebruik van infrastructuur
  • Homogeniteit: homogeen gebruik voorkomt grote verschillen in snelheid, richting en massa
  • Herkenbaarheid: voorspelbaar gebruik voorkomt onzekerheid bij de verkeersdeelnemer

In Nederland werd juist de functie van de weg als uitgangspunt genomen voor de vormgeving van de weg, waarbij bovendien zoveel als mogelijk slechts 1 functie is toegekend aan een weg. Algemeen wordt aangenomen dat de toepassing van de ‘Duurzaam Veilig’ principes een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de verkeersveiligheid op het Nederlandse wegennet.

 

Aanbeveling 3: Enkel homogene en geloofwaardige snelheidslimieten zijn duurzaam en veilig

Het beleid legde de laatste jaren een groot accent op strengere snelheidslimieten en een betere controle ervan. Dit gebeurde vooral vanuit een bezorgdheid voor de verkeersveiligheid. Toch rijst de vraag of de verkeersveiligheid hiermee gediend is. Het is duidelijk dat de aanpassingen hebben geleid tot veel bijkomende verkeersborden, snelle wisselingen van de snelheidslimieten en vooral snelheidslimieten die helemaal niet meer overeenkomen met de ontwerpsnelheid van de weg. Dit laatste zorgt ervoor dat de snelheidslimiet niet meer geloofwaardig overkomt.

Bovendien doorkruisen verschillende, op zich goedbedoelde, initiatieven elkaar. Aanpassingen in de federale regelgeving, gewestelijke invoering van afwijkende snelheidslimieten en gemeentelijke maatregelen leiden tot onduidelijkheid op het terrein. Bovendien creëerde de invoering van de zone 70 in sommige gemeentes een complete verwarring voor bestuurders.

Daarom is het nodig om snelheidslimieten doordacht toe te passen als onderdeel van de functionele indeling en daarmee samenhangende categorisering van ons wegennetwerk en de inrichting van deweg. Losse beleidsinitiatieven rond wijzigingen van snelheidslimieten zijn daarom uit den boze.

 

Aanbeveling 4: Maak verkeerslichten tot regelaar van vlot verkeer, niet tot bron van files

Verkeerslichten organiseren de verkeersafwikkeling op gelijkvloerse kruispunten. Daarbij wordt de capaciteit geoptimaliseerd en de verkeersveiligheid bewaakt. Ook met andere beleidsdoelen kan rekening gehouden worden, zoals het beperken van de emissies door start-en-stop bewegingen te minimaliseren. Ook de coördinatie van verkeerslichten op verschillende kruispunten, zoals het invoeren van groene golven, biedt mogelijkheden om de capaciteit op het onderliggende wegennet beter te benutten.

Telkens is het cruciaal dat de lichtenregeling goed afgestemd wordt met het verkeerspatroon. Dit houdt in dat het verkeer geregeld wordt opgemeten, de optimale regeling doorgerekend en de lichten bijgeregeld. Dit functioneel onderhoud zorgt er voor dat verkeerslichten rekening houden met de structurele veranderingen en variaties in de verkeersstromen.

In de praktijk zien we dat in ons land (veel te) weinig mensen ingezet worden voor het functioneel onderhoud. Hierdoor gebeurt dit onderhoud niet grondig genoeg en worden kansen gemist. We verliezen daarom onnodig veel tijd aan onze verkeerslichten.

Het invoeren van een VerkeersLichten OnderhoudsTeam (VLOT) dat doordacht verkeersstromen en regelingen waarneemt, lichten bijregelt en de impact ervan opmeet, biedt kansen om met relatief weinig middelen een enorme maatschappelijke winst te behalen. In het buitenland werden met gelijkaardige initiatieven baten/kosten-verhoudingen van 30 tot 80 tegen 1 gerealiseerd.

 

Aanbeveling 5: Geen wegenwerken zonder ‘minder hinder’-maatregelen

Zo’n 15% van de files op snelwegen wordt veroorzaakt door wegenwerken. Van elke 100 km die we rijden op onze wegen, zijn er gemiddeld 2 omwille van een wegomleiding. Reden genoeg voor onze wegbeheerders om ‘Minder Hinder’ maatregelen te promoten.

In het beleid heeft ‘Minder Hinder’ dan ook een hoge prioriteit. Van deze goede bedoelingen valt op het terrein zelf echter weinig te merken. Veel valt te verklaren doordat de aannemer die de werken uitvoert, ook moet zorgen voor de signalering en het stroomlijnen van de verkeersafwikkeling. En dat is nu eenmaal niet zijn prioriteit noch specialiteit.

Bovendien is de druk om snel en goedkoop te werken soms zo groot, dat het werk ondermaats wordt uitgevoerd, waardoor de weg soms al na enkele maanden weer schade oploopt en er al snel onderhoud nodig is met nieuwe verkeershinder tot gevolg.

Daarom moet de kwaliteitscontrole worden verbeterd. Voor wat betreft de werken zelf kan dit geschieden door een onafhankelijk controleorgaan. De organisatie van het verkeer erom heen kan bijvoorbeeld door een daartoe gespecialiseerde cel bij de wegbeheerder zelf.

 

Aanbeveling 6: Vrije busbanen zijn geen doel, maar een middel

Er komen de laatste jaren in hoog tempo busstroken of tram/busbeddingen bij. Dit is een gevolg van een beleid waarbij onder de noemer ‘selectieve bereikbaarheid’ het openbaar vervoer (OV) en de auto als concurrenten worden gezien, waarbij het OV concurrentieel voordeel moet krijgen.

Maar waarom wordt een maatregel zoals een busbaan als beleidsdoel ingeschreven? Een logischer doel is: doorstroming en stiptheid van het OV verbeteren. Een busbaan is dan slechts één van de mogelijke middelen om dit te bereiken. In de huidige praktijk beslist een commissie op basis van door het OV-bedrijf aangedragen argumenten of er al dan niet een busbaan komt. Het privé-wegverkeer (auto’s, vrachtwagens,...) zijn in die commissie niet vertegenwoordigd en dus gaan beslissingen snel één kant op.

Beter zou het zijn om de oorzaken van de doorstromingsproblemen van de bus of tram objectief te analyseren. Van de mogelijke oplossingen moet dan een kosten/baten-analyse worden uitgevoerd, waarbij zowel frequentie van diensten en bezettingsgraden van het OV, als de grootte van auto- en andere verkeerstromen en hun bezettingsgraad worden beschouwd. Deze gegevens moeten dan wel onafhankelijk en objectief worden gemeten, en niet door de belanghebbende OV-maatschappij zelf.

Hieruit kunnen stellig ‘win-win’ oplossingen komen waarin alle weggebruikers erop vooruit gaan en die dus de voorkeur verdienen: herinrichten van kruispunten of instellen van slimmere verkeerslichten.

Mocht toch blijken dat een busstrook de beste baten/kosten-verhouding heeft, dan wordt ze best gerealiseerd in de uitvoering als ‘inhaalstrook’, waarbij de bus even voor het kruispunt weer invoegt en er geen opstelstroken – en dus capaciteit – worden opgeofferd. Om de impact op het privé-verkeer te beperken, moeten ook dynamische varianten overwogen worden, zoals bv. de variant waarbij de busstrook alleen in het drukste van de spits wordt geactiveerd, of nog: de variant met 1 zgn. centrale getijdestrook die in functie van de spits van richting wisselt ipv 1 busstrook in elke rijrichting.

Maar meer structureel nog gaat de voorkeur uit naar het zoveel mogelijk ontvlechten van OV- en autonetwerken: verleg de busroutes weg van hoofdverkeersassen naar lokalere wegen dichter bij de (potentiële) OV-gebruikers.

Aanbeveling 7: Wees consistent in de (her)aanleg van kruispunten

De inrichting van kruispunten heeft een grote impact op het functioneren van het onderliggende wegennet. Kruispunten leggen aanzienlijke capaciteitsbeperkingen op en hebben ook een grote invloed op de veiligheid van het wegennet. Recent werd met het uitwerken van het zwarte puntenprogramma een aanzienlijke investering gedaan in het herinrichten van de gevaarlijkste kruispunten. Toch blijft er werk aan de winkel.

Zo werden de minder belangrijke kruispunten over het hoofd gezien. Daar worden vaak inconsistenties waargenomen en staan kruispunten vaak niet in relatie met de functie en inrichting van een weg. Zo past het niet dat een voorrang van rechts nog voorkomt op wegen met een snelheidslimiet hoger dan 50 km/u of dat elk dorp een andere invulling geeft aan een rotonde.

Verder wordt er weinig rekening gehouden met de impact van kruispunten op de emissies. Zo blijkt dat de systematische beperking van de wegcapaciteit op het onderliggende wegennet heeft geleid tot meer knelpunten en een verhoging van de emissies.

Kruispunten moeten, ook op minder belangrijke wegen, consistent met de functie en type van de wegingericht worden zodat weggebruikers niet op verrassingen botsen. In dat opzicht moeten ook drempels en asverschuivingen consistenter ingepast worden.

Aanbeveling 8: Wees voorbereid op incidenten en beheer(s) ze

De totale omvang van de congestie op het wegennet in België (hoofdwegennet, regionaal en stedelijk wegennet samen) bedraagt ongeveer 32 miljoen voertuigverliesuren (VVU) per jaar. De omvang van de congestie als gevolg van incidenten wordt geschat op 24% = 7,7 miljoen VVU.

De totale kost van de congestie veroorzaakt door incidenten bedraagt ongeveer 150 miljoen Euro. Incident Management (IM) wordt in België op beperkte schaal toegepast (FAST, omleidingroutes, contracten met bergers), en dan vooral op het autosnelwegennet. De toepassing van IM op ons wegennet moet worden verbeterd en verder geïntensiveerd, en wel hierom:

  • IM-maatregelen kunnen de negatieve effecten van incidenten (oponthoud, onveiligheid, schade aan infrastructuur en milieu) fors beperken.
  • Het wordt steeds drukker op het bestaande wegennet. Dit geeft een grotere kans op incidenten en, als een incident heeft plaatsgevonden, een veel groter effect doordat meer voertuigen zullen worden opgehouden.

Belangrijke verbeterpunten situeren zich op de volgende terreinen:

  • Naar een uniforme aanpak door alle gewesten (op hoofdwegen en belangrijke regionale wegen, waarbij men werkt volgens uniforme, gekende protocollen).
  • Meer duidelijkheid over verantwoordelijkheden en bevoegdheden van verschillende hulpverleners.
  • Meer duidelijkheid over prioriteiten in de hulpverlening.
  • Meer duidelijkheid over wie het proces aanstuurt (regie op de Incident locatie); maar ook over wie het verbeteringsproces aanstuurt.

De realisatie van bovenstaande verbeterpunten kan de congestie als gevolg van incidenten aanzienlijk verminderen, zoals blijkt uit ervaringen in Nederland. De besparingen kunnen oplopen van 33 miljoen in 2009 tot 45 miljoen Euro in 2020. Maatregelen gericht op het gezamenlijk oefenen en evalueren van de hulpverlening bij incidenten kan jaarlijks nog eens 16,5 miljoen Euro extra opleveren. In deze berekeningen zijn de gunstige effecten op de verkeersveiligheid niet eens meegenomen.


Aanbeveling 9: Laat dynamisch verkeersmanagement geen toekomstbeeld blijven

De gewesten hebben de laatste jaren geïnvesteerd in verkeersmanagement. Daarbij lag telkens de focus op technologisch materiaal op en rond de snelweg met dynamische borden en geavanceerde detectietechnologie. Met deze investeringen wil het beleid files beperken, de capaciteit zo groot mogelijk maken en daarnaast ongevallen vermijden. Toch valt het op dat de investeringen geconcentreerd blijven op specifieke locaties en dat bv. de Brusselse regio nauwelijks aan bod kwam.

Verder is niet meteen duidelijk wat de impact is van al deze technologie. Nergens wordt gemeten (geëvalueerd) hoeveel files en ongevallen men hierdoor nu eigenlijk heeft vermeden. Het meten van de impact is nochtans cruciaal om beleid te evalueren en met betere kennis van zaken doelgericht nieuwe initiatieven op te zetten.

Daarnaast is weliswaar zichtbaar hoe de technologie langs de weg werd geïnstalleerd, maar ontbreekt vaak een duidelijke aanpak van hoe ze aangewend wordt. Een strategie om verkeer te sturen en een operationalisering van de beleidsdoelstellingen in een sturingsplan ontbreken. De focus ligt al te vaak op louter informeren en minder op aansturen en regelen van het verkeer om zo files te beperken of te vermijden. Om het met een boutade te zeggen: ‘we staan erbij en we kijken ernaar’.

Dit staat in schril contrast met de hoge verwachtingen en ambities van de overheid met Dynamisch VerkeersManagement (DVM). Enerzijds is het inderdaad mogelijk om met DVM-maatregelen gericht sturend in te grijpen, waarmee onnodige inefficiënties en dus tijdverlies vermeden kunnen worden. De mogelijkheden van bv. grootschalige gecoördineerde toeritdosering zijn internationaal aangetoond maar worden in België niet toegepast en ook nergens in de beleidsplannen onderkend. Anderzijds lijken er bij beleidsmakers, politici en het brede publiek dan weer verwachtingen te bestaan die onmogelijk met DVM-maatregelen kunnen worden ingelost. Zo leeft bv. de mythe dat de aanleg van extra infrastructuur op knelpunten niet nodig is en dat DVM wel soelaas kan bieden.

Het is belangrijk om te beseffen dat DVM-maatregelen middelen zijn om een goed gestructureerd wegennetwerk met daarin de nodige regelruimte dynamisch te beheren (zie ook Aanbeveling 1), en niet als substituut of lapmiddel om tekortkomingen in een wegennet recht te trekken.

 

Aanbeveling 10: Neem de reële verkeersstroom als uitgangspunt voor de verkeersafwikkeling

Ons snelwegennet heeft last van structurele congestie die elk jaar erger wordt. Op 10 jaar tijd is de lengte van de files er met 50% toegenomen. Toch worden de structurele knelpunten nauwelijks aangepakt. Hoewel het verbeteren van de bereikbaarheid als doelstelling in nagenoeg alle beleidsinitiatieven naar voren komt, is het vermijden van structurele files geen heldere operationele doelstelling die met concrete acties aangepakt wordt.

Na analyse van de meest cruciale knelpunten op ons snelwegennet blijkt dat de verkeersdoorstroming op sommige locaties aanzienlijk kunnen verbeterd worden door soms kleine herschikkingen in de inrichting/vormgeving van de weg. Alleen al het herschilderen van de wegmarkeringen kan op sommige plaatsen een mooie winst opleveren. Daarom bevelen we aan om op systematische wijze de problemen rond structurele knelpunten te analyseren, op basis daarvan een voorkeursoplossing te bepalen en vervolgens hier naar toe te werken door stapsgewijze maatregelen en wijzigingen door te voeren naar een betere verkeersafwikkeling.

Daarbij moeten we durven afstappen van de filosofie dat doorgaand verkeer altijd voorrang krijgt. Uit verkeerstellingen blijkt immers dat op snelwegcomplexen –waar snel- en/of ringwegen op elkaar aansluiten– de grootste verkeerstromen geen doorgaand verkeer zijn, maar wisselen van weg. In die gevallen moet de dominante stroom zo weinig mogelijk verstoord worden: een vormgeving waarbij de rijbaan splitst met doorlopende rijstroken functioneert dan vlotter en veiliger dan de klassieke uitvoegstroken. Ook weefbewegingen dwars door de dominante afslaande stroom moeten maximaal vermeden worden.

Twitter

RT @wearetransport: 45 days to go before the opening of #WeAreTransport oragnized by #FEBIAC en @tlv_be. From 1st to 3d June 2018 in Hall 5…


Lire

RT @Goedele_Sannen: #PayAsYouGo met de slimme kilometerheffing https://t.co/mx6jOvBACH


Lire


RT @wearetransport: 45 days to go before the opening of #WeAreTransport oragnized by #FEBIAC en @tlv_be. From 1st to 3d June 2018 in Hall 5…


Lire

RT @STIBMIVB: Aujourd'hui, nous inaugurons notre premier Citybus électrique #STIB ! Dès le 1er juin, la ligne 33 sera effective à Bruxelles…


Lire